John Kariuki uit Kenia brak zijn heup bij een val in de badkamer. Hij werd geopereerd. Na een week bleek de wond geïnfecteerd. Hij kreeg antibiotica. Twee weken na de operatie voelde hij zich doodziek. Een nieuwe operatie volgde. De chirurg had nog nooit zo veel dood weefsel bij iemand verwijderd, zei hij later. Maar Kariuki knapte niet op.
Een laboratorium testte de bacterie die hij in de operatiezaal had opgelopen op gevoeligheid voor antibiotica. Van de achttien middelen die Kariuki had kunnen krijgen, was er maar één geschikt om hem te behandelen. Uiteindelijk duurde het vijftien maanden voor hij weer aan het werk kon. Hij loopt nu moeizaam met een kruk.
Kariuki doet zijn verhaal als onderdeel van een publiekscampagne, deze herfst, van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), over resistentie van micro-organismen tegen medicatie. Een jonge Indiase vertelt dat ze twee jaar moest herstellen van een resistente tuberculose, een Nigeriaan bleef langdurig ziek na het plaatsen van een stent en bij een Amerikaan redde het laatst overgebleven middel wel zijn leven, maar door een bijwerking, een ernstige overgevoeligheid voor licht, liep hij huidkanker op.
De WHO noemt antimicrobiële resistentie een van de grootste bedreigingen voor de mensheid. Want bacteriën (en andere micro-organismen, zoals schimmels, virussen, eencellige parasieten) zijn enorme aanpassers, waardoor medicijnen ertegen na verloop van tijd niet meer werken.
In 2050 zou resistentie kunnen leiden tot ruim tien miljoen overlijdens wereldwijd, waarschuwden wetenschappers in 2024 in The Lancet. Twee jaar eerder becijferde hetzelfde wetenschappelijk tijdschrift dat in 2019 de dood van ruim 6,2 miljoen mensen samenhing of rechtstreeks het gevolg was van antibioticaresistentie. Dat zijn meer doden dan door hiv/aids en malaria gecombineerd. In Europa sterven jaarlijks 35 duizend patiënten aan resistentie, volgens cijfers van het EU-agentschap ECDC, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, uit 2025.
‘Ik noem antibioticaresistentie in mijn colleges weleens een slow pandemic’, zegt Mark de Boer, hoogleraar infectieziekten aan het Leids Universitair Medisch Centrum. ‘Het duurt allemaal even voor je het op grote schaal ziet. Maar als je kijkt over vijf, tien jaar, dan zie je de resistentiepercentages oplopen.’
Hoe groot is het probleem?
Groot dus, volgens de WHO, die in een rapport uit 2025 waarschuwt dat de standaardbehandelingen voor veelvoorkomende infecties – bloedvergiftigingen, longontstekingen, urineweginfecties – niet langer toereikend zijn. Vooral armere landen en landen waar het gezondheidssysteem zwak is, worden erdoor getroffen. In 2023 werden wereldwijd ongeveer 1 op de 6 in laboratoria vastgestelde bacteriële infecties veroorzaakt door resistente bacteriën. In Zuidoost-Azië en langs het oosten van de Middellandse Zee was dat 1 op 3, in Afrika 1 op 5, in Europa 1 op 10.
Europa doet het met de resistente (ziekenhuis)bacterie MRSA best goed, blijkt uit cijfers van het ECDC. Het aantal infecties ermee is duidelijk afgenomen sinds de nulmeting in 2019, de doelstelling voor 2030 was in 2024 al gehaald. Dat ligt anders voor infecties met darmbacteriën E. coli die resistent zijn geworden tegen de meestgebruikte antibiotica. Dat aantal zou in 2030 10 procent lager moeten zijn dan in 2019, maar steeg met 5 procent. Infecties met tegen dezelfde groep antibiotica resistente K. pneumoniae stegen met liefst 60 procent sinds 2019, zodat het doel, 5 procent vermindering in 2030, ver uit zicht raakt. De EU moet strenger en sneller optreden, waarschuwt de ECDC, anders dreigt een serieus gevaar voor de volksgezondheid.
Hoe werken antibiotica?
Er bestaan een aantal soorten, legt Miquel Ekkelenkamp uit, arts-microbioloog bij het UMC Utrecht en voorzitter van Swab, de stichting werkgroep antibioticabeleid. Alle antibiotica proberen bacteriën uit te schakelen door iets aan te pakken wat een bacterie wel heeft, maar een mens niet. Een celwand bijvoorbeeld (mensen en dieren hebben geen celwand, maar een veel dunner celmembraan).
60 tot 70 procent van alle kuren valt in de groep bètalactam, waarvan penicilline het bekendste voorbeeld is. Zulke antibiotica blokkeren enzymen die een functie hebben bij het opbouwen en onderhouden van de celwand. Daardoor kan die wand de bacterie niet beschermen, of de bacterie kan zich niet delen omdat de wand niet kan groeien. Andere antibiotica, zoals tetracyclines, verstoren of remmen de productie van eiwitten door een bacterie, met eenzelfde effect.
Hoe worden bacteriën resistent?
Mark de Boer wil eerst een veelgedeeld misverstand ophelderen: dat bacteriën alleen resistent zijn geworden door menselijk gebruik van antibiotica. Maar antibiotica zijn oorspronkelijk natuurproducten, gemaakt door schimmels (zoals die waaruit penicilline is ontwikkeld) of bacteriën, zoals soorten streptomyces. Wie ver terugkijkt in de tijd, op zoek gaat in het permafrost in Alaska bijvoorbeeld, vindt al resistentiegenen in oeroude bacteriën, waarmee ze zich probeerden te beschermen tegen de moleculen die we nu antibiotica noemen.
Bacteriën vermenigvuldigen zich snel. De darmbacterie E. coli bijvoorbeeld verdubbelt elke 20 minuten in aantal, legt chemicus Wim Velema van de Radboud Universiteit uit. En een infectie wordt veroorzaakt door miljoenen bacteriën. Bij elke vermenigvuldiging zijn er willekeurige, kleine aanpassingen in het DNA van de bacteriën, hun erfelijke informatie. Zo’n verandering kan een bacterie ongevoelig maken voor een antibioticum.
Een bekend praktijkvoorbeeld op patiëntniveau, zegt De Boer, is een urineweginfectie veroorzaakt door E. coli. Behandel je die met antibiotica, dan stel je ook de darm daaraan bloot. Bacteriën die gevoelig zijn, nemen door de behandeling in aantal enorm af. De ongevoelige bacteriën blijven over en nemen in aantal toe. Dat proces heet selectie.
Zeg dat dezelfde patiënt twee maanden later opnieuw binnenkomt met een urineweginfectie, dan is de kans groot dat de veroorzaker een E. coli is die niet gevoelig was voor het gebruikte antibioticum. Dan is een ander middel nodig. Soms is dat alleen via een infuus beschikbaar en moet de patiënt in het ziekenhuis worden opgenomen.
Waar loop je resistente bacteriën op?
In het buitenland is de situatie zorgelijker dan in Nederland. Wie bijvoorbeeld naar Zuidoost-Azië reist, neemt vrijwel zeker resistente bacteriën mee terug. Dat hoeft geen probleem te zijn. Maar zitten je darmen vol resistente E. coli-bacteriën en krijg je een blindedarm- of buikvliesontsteking, dan kan een behandeling lastig zijn. Een operatie of zelfs het inbrengen van een infuus – alles wat de huid beschadigt – kan bovendien bacteriën op plekken brengen waar je ze niet wilt hebben.
Het ziekenhuis is een belangrijke besmettingshaard voor infecties. Patiënten hebben meestal een verminderde weerstand. Medewerkers lopen van patiënt naar patiënt, en alleen strenge hygiëne voorkomt dat bacteriën zich door het ziekenhuis verspreiden. En er ontstaan makkelijk resistente bacteriën, omdat er zowel veel bacteriën zijn als veel antibiotica worden gebruikt.
Gevreesd is de ziekenhuisinfectie met MRSA, een Staphylococcus aureus die resistent is geworden tegen het antibioticum meticilline en middelen die erop lijken. De bacterie werd voor het eerst gezien in Engelse ziekenhuizen begin jaren zestig. In Nederland komt MRSA relatief weinig voor. De bacterie wordt vaak meegenomen door patiënten die eerder in een buitenlands ziekenhuis zijn behandeld of opgenomen geweest. Zij worden getest en zo nodig in isolatie verpleegd.
Hoe makkelijk resistentie zich verspreidt in een onoverzichtelijke, onhygiënische omgeving is te zien op het slagveld in Oekraïne, een land waar sowieso al veel ongevoelige bacteriën rondwaren. Gewonde soldaten gaan van het ene veldhospitaal naar het andere ziekenhuis, infectiepreventie en ziekenhuishygiëne zijn door de omstandigheden niet optimaal, in isolatie verplegen is vaak onmogelijk. Een deel van de soldaten wordt behandeld in Nederland, waar ze met nare wonden binnenkomen en vaak veel operaties nodig hebben – wat ook amputaties kan betekenen, als een resistente infectie niet op een andere manier weg te snijden is.
Nederland doet het goed, toch?
Onderdeel van het probleem is dat het in Nederland nog niet zo’n groot probleem is, zegt Velema van de Radboud Universiteit, die met zijn lab onderzoek doet dat zou kunnen leiden tot de ontwikkeling van een nieuw antibioticum. Daardoor ontbreekt het besef dat de ontwikkeling gevaarlijk is.
Want het wordt langzamerhand problematisch, zegt De Boer van het LUMC. ‘Dat het probleem in Nederland niet zo groot is, zeg ik toch met minder gemak dan tien jaar geleden.’ Wie over een langere periode kijkt, ziet ook hier het aantal veelvoorkomende ziektebeelden oplopen waarbij resistente bacteriën zijn betrokken, zoals longontsteking, urineweg- en huidinfecties.
Neemt niet weg dat Nederland het relatief goed doet. Nederlandse artsen, ook veeartsen, zijn van oudsher terughoudend met het voorschrijven van antibiotica. Loop een buikgriep op en een Nederlandse arts adviseert je veel te drinken. Loop op een Zuid-Europese camping een buikgriep op en de kans dat een huisarts daar je antibiotica meegeeft, is groot, geeft De Boer als voorbeeld. Terwijl zo’n gastro-enteritis over het algemeen door een virus wordt veroorzaakt en virussen niet met antibiotica kunnen worden bestreden.
Zuid-Europese artsen weten dat ook, maar zij staan in een andere geneeskundige traditie. Nederlandse artsen worden opgevoed met het idee: meer doen is niet altijd beter. Dus kijken ze goed of antibiotica nodig is en welk antibioticum het meest geschikt is.
Dat de dokter terughoudend is met voorschrijven, moeten patiënten wel blijven accepteren, waarschuwt De Boer. Dus moeten artsen en wetenschappers blijven uitleggen waarom het zo belangrijk is om antibiotica alleen te gebruiken als dat iets toevoegt aan de behandeling en waarom het juist beter kan zijn om gebruik te vermijden.
Kunnen wetenschappers niet iets vinden dat blijft werken?
Van bacteriën kun je niet winnen. Daarvoor delen ze te snel en passen ze zich te makkelijk aan. Welk geneesmiddel je ook inzet, uiteindelijk raken ze er ongevoelig voor.
We kunnen het probleem wel controleerbaar maken, zegt De Boer. Om te beginnen met preventie. Met hygiënemaatregelen, zoals je handen wassen voor het eten, maar ook met vaccinaties. Zelfs vaccineren tegen virusinfecties helpt, al kun je die niet behandelen met antibiotica. Want als in het griepseizoen minder mensen met een infectieziekte met koorts bij de dokter komen, is het risico minder groot dat die voor de zekerheid een kuur geeft aan een patiënt van wie hij twijfelt of een bacterie of een virus de ziekte veroorzaakt.
De tweede pijler is antimicrobial stewardship, de term voor alle maatregelen die verantwoordelijk gebruik van antibiotica bevorderen. Dus: alles wat artsen doen om antibiotica zo kort en zo doeltreffend mogelijk te gebruiken en er zo min mogelijk van voor te schrijven.
In de tijd die zo gewonnen wordt, kunnen oplossingen op allerlei terreinen worden bedacht. Bijvoorbeeld artsen helpen nog beter voor te schrijven. Het publiek voorlichten. Prothesematerialen bedenken die minder snel geïnfecteerd raken. Of nieuwe antibiotica ontwikkelen.
Wat wordt er bedacht aan nieuwe antibiotica?
Wim Velema werkt in zijn lab aan een nieuw antibioticum, dat heel kort samengevat de bacterie voor de gek houdt. Bacteriën hebben net als mensen ijzer nodig om hun metabolisme aan de gang te houden. De techniek waaraan Velema werkt, verleidt ze een ijzermolecuul op te nemen, met daaraan een RNA-fragmentje dat voorkomt dat de bacterie eiwit maakt. Daardoor gaat de bacterie kapot.
Het is een idee waaraan al sinds de jaren tachtig wordt gewerkt. Maar zorgen dat het fragmentje op de juiste plek wordt afgeleverd, is nieuw. Patiënten ermee helpen kan nog lang niet, zegt Velema, maar de eerste resultaten zien er goed uit. En dat er nog geen antibiotica bestaan die hetzelfde doen, is een voordeel met het oog op resistentie, mocht de techniek in de praktijk voldoen.
Nieuwe antibiotica, zegt Mark de Boer, werken vaak volgens vergelijkbare mechanismen als de oude. Er wordt bijvoorbeeld een stof aan toegevoegd waardoor de enzymen van de bacterie die het oorspronkelijke antibioticum afbreken, worden geblokkeerd, zodat het middel toch werkzaam is. Helaas blijkt nu al dat relatief vlot weer bacteriën opduiken die ook voor de nieuwere antibiotica ongevoelig zijn.
En iets anders dan antibiotica?
Bacteriofagen, letterlijk bacterie-eters, zijn geregeld als klein wondermiddel in het nieuws geweest. Het zijn kleine virussen die de bacteriën zelf infecteren en zich erin vermenigvuldigen.
Bacteriofagen zijn begin 20ste eeuw ongeveer gelijktijdig met antibiotica ontdekt, maar legden het daartegen af. Ze zijn minder breed inzetbaar dan antibiotica, omdat ze zich op specifieke bacteriën richten.
Stel je hebt een ernstig zieke patiënt, die snel moet worden behandeld, zegt Ekkelenkamp. Met één antibioticum pak je veel verschillende bacteriën aan. Wil je de patiënt behandelen met fagen, dan moet je misschien wel zestig verschillende geven. Hij verwacht daarom dat fagen in de toekomst mogelijk wel gebruikt kunnen worden, maar alleen voor specifieke toepassingen.
Hoe bacteriofagen precies kunnen worden ingezet, of ze voldoende werken, hoe snel bacteriën er ongevoelig voor worden: dat zijn allemaal vragen waarop voor de klinische praktijk het antwoord nog niet duidelijk is, zegt De Boer. En daarom zijn ze nog niet standaard inzetbaar als geneesmiddel.
Als het probleem zo groot is, waarom wordt er dan niet veel harder naar oplossingen gezocht? Waar blijven de innovatieve, nieuwe medicijnen?
Farmaceuten verdienen nauwelijks meer iets aan antibiotica. In de jaren vijftig, zestig, zeventig van de 20ste eeuw, in de hoogtijdagen, werden volop middelen uit de natuur gevonden: schimmels en bacteriën die andere bacteriën konden uitschakelen. Er was nog nauwelijks iets, dus voor elk nieuw middel was een grote afzetmarkt. En de eisen waaraan onderzoek moest voldoen voordat iets op de markt mocht worden gebracht, waren minder streng dan tegenwoordig. De ontwikkelkosten zijn nu dan ook veel hoger.
Bovendien zijn er meestal nog alternatieven wanneer een middel niet werkt, zelfs al zorgt pas het achttiende antibioticum voor genezing. En een veelbelovend nieuw middel wil je pas inzetten als al het andere faalt, omdat anders bacteriën er al ongevoelig voor zijn op het moment dat het zijn nut zou kunnen bewijzen. Maar leg je het tot die tijd op de plank, dan is misschien het patent al verlopen voor het zover is.
Al met al loont het voor farmaceuten de moeite niet en lijkt overheidsregulering nodig om het onderzoek vaart te geven.
En nu?
‘Ik denk eigenlijk dat als je dit grote probleem wilt oplossen, het lijkt op de vraag how to eat an elephant’, zegt Mark de Boer. ‘En het antwoord is natuurlijk: bit by bit. Er is geen wondermiddel.’ Beetje bij beetje dus: bewustwording, preventie van infecties, zo goed mogelijk omgaan met antibiotica, op zoek blijven naar alternatieven en zo proberen om de impact van antimicrobiële resistentie op onze gezondheid onder controle te krijgen.
BACTERIE EN VIRUS
Bacteriën zijn eencellige organismen met een eigen stofwisseling die zich zelfstandig kunnen delen.
Virussen zijn veel kleiner dan bacteriën. Ze bestaan uit erfelijk materiaal (DNA of RNA) dat wordt beschermd door een eiwitmembraan. Een virus heeft de cel van een gastheer nodig om zich te vermenigvuldigen en kan anders niet overleven.
Antibiotica zijn alleen tegen bacteriën zinvol.
Vaccins kunnen zowel bacteriële infecties (zoals difterie, kinkhoest en tetanus, waartegen kinderen worden gevaccineerd met de DKT-prik) als virusinfecties (zoals griep en covid) voorkomen of afzwakken.
Bekijk de oorspronkelijke pagina: pagina 19, pagina 20, pagina 21, pagina 22
Bron: Volkskrant