Nestelt het westnijlvirus zich door klimaatverandering blijvend in Nederland?

Het was slechts een kwestie van tijd, wisten kenners, maar het nieuws kwam evengoed als een schok: op 26 augustus overleed een persoon in Utrecht aan het westnijlvirus, na een lokaal opgelopen besmetting. Eerder deze maand was het virus ook al opgedoken in het bloed van een Nederlandse bloeddonor. Bloedbanken testen niet standaard op het westnijlvirus, maar in de regio Utrecht gebeurde dat nu wel. Juist daar is het virus in de afgelopen zes jaar al verschillende keren aan het licht gekomen in veldonderzoek. En nu is er dan het eerste sterfgeval, door een virus dat slechts bij zo’n 1 procent van de besmette mensen ernstige klachten veroorzaakt.

Deze ontwikkeling roept een ongemakkelijke vraag op: waar zit het westnijlvirus nog meer in ons land? Begint het zich hier blijvend te vestigen? Hoe komt dat, en wat kunnen we eraan doen? Een groot netwerk van wetenschappers doet daar onderzoek naar, van virologen tot muggenexperts en van vogel- tot landschapskenners.

Het westnijlvirus wordt overgebracht door muggen. Niet door exotische tijgermuggen, zoals bij dengue en zika, twee virussen die eveneens oprukken – maar door onze inheemse gewone steekmug (Culex pipiens).

,,Dat het virus nu vaker opduikt, komt dus niet doordat nieuwe muggen hiernaartoe komen”, benadrukt muggenexpert Jeroen Spitzen. Hij werkt bij het Centrum Monitoring Vectoren – vectoren zijn organismen die ziekten overbrengen tussen verschillende gastheren – van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). ,,En er zijn ook niet per se meer muggen.” Er moet dus iets anders aan de hand zijn. De link met klimaatverandering ligt voor de hand: ,,Bij warmere temperaturen kan het virus zich beter in muggen vermenigvuldigen. En ook hebben muggen dan een langer voortplantingsseizoen. Ze zijn dus vaker op zoek naar een bloedmaaltijd, die ze gebruiken voor de ontwikkeling van eitjes.”

Al langer zorgen

Maar er zijn nog veel meer puzzelstukjes in de complexe cyclus van het virus. Westnijlvirus heeft vogels als belangrijkste ‘reservoir’ – waaronder ook trekvogels. Zij dragen het virus mee, maar worden er zelf zelden ziek van. Muggen brengen het tussen de vogels over. Maar soms steken die muggen ook andere gastheren, zoals paarden of mensen. Beide zijn een zogeheten ‘dead-end host’: ze kunnen wel besmet raken en ziek worden, maar zorgen niet voor verdere verspreiding. Daarvoor zijn steeds opnieuw vogels nodig.

Heeft klimaatverandering inderdaad iets te maken met de recente gevallen? Of: zijn het misschien de maatregelen die we in Nederland nemen tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals het aanleggen van nieuwe natte natuur en andere buffers tegen wateroverlast en droogte? Kunnen die ervoor zorgen dat virussen zoals westnijl zich gemakkelijker gaan handhaven en verspreiden?

,,Ja, dat zijn de complexe vragen waarmee het echt interessant wordt”, zegt Marion Koopmans, viroloog bij het Erasmus MC. Ze is wetenschappelijk directeur van het Pandemic Disaster Preparedness Centre, in 2021 opgericht door Erasmus MC, Erasmus Universiteit Rotterdam en TU Delft. De directe aanleiding was de coronapandemie, maar er speelden al langer zorgen over de opmars van virussen zoals westnijl, dengue en zika. Zo liep er al vanaf 2019 een nationaal, interdisciplinair programma, getiteld One Health PACT. ‘One Health’ is een concept dat benadrukt dat de gezondheid van mensen, dieren en natuur nauw met elkaar samenhangen, en dat je die dus ook in samenhang moet onderzoeken.

,,One Health PACT heeft heel veel opgeleverd”, zegt Koopmans. ,,Bijvoorbeeld een veel systematischer monitoring van muggen, vogels, virussen en mensen.” Dat gebeurde – en gebeurt nu nog steeds – in een samenwerking tussen NVWA, RIVM, Erasmus MC, het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW), Universiteit Leiden, GD Animal Health, Sovon Vogelonderzoek, het Dutch Wildlife Health Centre van de Universiteit Utrecht, Wageningen Bioveterinary Research en bloedbank Sanquin. ,,Die samenwerking bleek al in 2020 zijn waarde te hebben”, vervolgt Koopmans. ,,Toen vonden we westnijl in een grasmus, bij Utrecht. Dat leidde tot opschaling van de monitoring, waarna het virus ook in muggen en andere vogels werd gevonden. Én bij de eerste Nederlandse patiënt.”

Waterberging

Vervolgens verdween het virus in Nederland een paar jaar van de radar. Maar de kenners lieten zich niet in slaap sussen. Koopmans: ,,Wij waren ons intussen gaan afvragen: hoe zit dat dan, in Nederland? Gaan we vaker met deze virussen te maken krijgen? En zouden de grote veranderingen in ons landschap er iets mee te maken hebben?”

Al enige decennia is Nederland zijn buitengebied en steden anders aan het inrichten, om beter bestand te zijn tegen extreme neerslag, droogte en hitte. Dat betekent: meer ruimte voor de rivieren, veel nieuwe natte natuur, maar ook bijvoorbeeld vijvers en wadi’s in de stad – en innovatieve systemen voor waterberging onder wegen, parkeerplaatsen en gebouwen. ,,Dat zijn allemaal potentiële broedplaatsen voor muggen”, zegt Koopmans. ,,Vanuit ons Pandemic Disaster Preparedness Centre hebben we een groot project opgezet om te onderzoeken wat die ontwikkelingen betekenen voor het risico op door muggen overdraagbare infectieziekten.”

Dat onderzoeksproject leunt zwaar op het eerdere One Health PACT-programma – en dezelfde partijen doen weer mee, benadrukt Koopmans. Maar er zijn ook nieuwe partners, waaronder geohydromorfologen van de TU Delft: mensen die de samenhang tussen bodem, water en ecosystemen bestuderen. Zo liep er vorig jaar een groot experiment in de Eendragtspolder, een waterberging bij Rotterdam, onder leiding van Reina Sikkema van het Erasmus MC. Koopmans: ,,Fantastisch: we hebben een heel stuk land onder water gezet, puur om te kijken wat dat doet met al die factoren die van invloed zijn op een uitbraak. We monitorden vogels, onder andere met zenders en camera’s. Er stonden muggenvallen. We sampleden dna in het water. En er stond een lokaal weerstation, om de fysische effecten van zo’n groot wateroppervlak te meten.”

Waarom was daar een nieuw stuk ondergelopen polder voor nodig? Hebben we niet al vijftig jaar een prachtig experiment met allerlei nieuwe natte natuur? ,,Ja, maar die gebieden zijn niet al die tijd op deze manier gevolgd”, antwoordt Koopmans. ,,Al die verschillende onderzoekswerelden, die zijn pas recent bij elkaar gebracht. Dat was eerder ook nooit nodig. Nu wel. Dus dat is het leuke: dat we nu met al die disciplines samenwerken.”

En toen kwamen de zomers van 2025 en 2026, waarin het virus na vijf jaar ineens weer opdook in enkele muggen, wilde vogels en paarden – en dit jaar dus ook weer bij mensen. Nu is het risico voor de volksgezondheid nog heel klein, maar dat kan veranderen als het virus veel breder onder muggen zou gaan circuleren. ,,Het lastige is dat het bij dieren weinig symptomen veroorzaakt, en dus lang onopgemerkt kan blijven”, zegt muggenexpert Jeroen Spitzen. ,,En je moet héél veel muggen samplen om een redelijke kans te hebben dat je iets aantreft.”

Het onderzoeken van muggen is heel arbeidsintensief, legt Spitzen uit. ,,We zetten vallen neer die muggen lokken met koolstofdioxide. Bij die vallen moet je regelmatig de batterijen of de gasfles vervangen. En je wilt ook niet dat de muggen te lang in zo’n val blijven zitten, want dan kan je het virus niet meer goed aantonen.” Dat betekent dus: veel het veld in om vallen te zetten en weer te legen. ,,Vandaag zijn we nog naar Zuid-Holland geweest, naar de paardenstallen waar de besmetting opdook”, vertelt Spitzen. ,,Daar in de omgeving hebben we vallen neergezet; die gaan we morgen ophalen. In de stal hebben we ook muggen opgezogen met een soort zuigbuis. Toen hadden we in één keer honderd muggen. Die liggen nu in de vriezer.”

De uitslagen daarvan moeten nog binnenkomen, maar: ,,We beginnen te vermoeden dat het virus in Nederland endemisch aan het worden is, dus dat het gewoon jaarrond aanwezig is. Nu is het de uitdaging om dat aan te tonen. Maar daarvoor moeten we véél meer samplen. En het budget is beperkt.” Bij het onderzoek in de Eendragtspolder heeft het team maar één mug gevangen die besmet was met westnijlvirus. Spitzen: ,,Dus dat lijkt vooralsnog mee te vallen. Maar dat onderzoek heeft wel heel mooi laten zien dat er, bij de juiste omstandigheden in de zomer, in no time héél veel muggen kunnen zijn.”

Inzicht is de basis

Ook Marion Koopmans acht de kans groot dat het virus zich inmiddels in Nederland heeft gevestigd. ,,De virusgevallen in 2025 waren van een ander genetisch cluster dan die in 2020″, zegt ze, ,,dus dat was duidelijk een nieuwe introductie. Maar die van 2026 zijn weer van hetzelfde cluster als die van vorig jaar.” Of dat betekent dat deze variant hier nu ook blijvend is gevestigd, is de vraag. In Italië en Griekenland zijn er elk jaar uitbraken van westnijl, maar dat lijken toch steeds nieuwe introducties te zijn vanuit een centrale bron in Roemenië en Hongarije. ,,Dat zou voor Nederland en Duitsland ook nog steeds kunnen gelden. Het is een heel dynamisch geheel, in Europa. Ik zou daar weleens heen willen met een team: met zijn allen kamperen in de Donaudelta, en daar dan alles samplen. Kijken welke clusters je daar aantreft.”

Waarom willen we die details eigenlijk allemaal weten? Wat kunnen we doen tegen het oprukken van het virus? Moeten we muggen grootschalig gaan bestrijden met gif, zoals in de Verenigde Staten al gebeurt? ,,Zeker niet”, zegt Koopmans stellig. ,,Maar alles begint met inzicht. Wéten hoe de ecologie van een gebied verandert als je er meer water in laat staan, of eerder, of langer. Wat doet dat met de vogels, de muggen, het virus? Tot voor kort waren dat allemaal gescheiden onderzoekswerelden. Die brengen wij nu bij elkaar. Wie weet is er met kleine ingrepen in dat watermanagement wel heel veel winst te boeken.”

We hebben een heel stuk land onder water gezet, puur om te kijken wat dat doet

Virus Wat is het westnijlvirus?

Westnijlvirus wordt overgedragen door muggen, waaronder de in Nederland inheemse gewone steekmug (Culex pipiens). Zo’n 80 procent van de mensen die het virus oplopen, merkt daar niets van. Ongeveer 20 procent krijgt griepachtige klachten (‘westnijlkoorts’) en bij minder dan 1 procent treden neurologische klachten op, zoals hersenvliesontsteking. Van de mensen met zo’n ernstige infectie overlijdt ongeveer 10 tot 30 procent. Meestal gaat het dan om ouderen of patiënten met een verminderde afweer of onderliggende ziekte.

Het westnijlvirus heeft zijn oorsprong in Afrika, maar sinds halverwege de vorige eeuw circuleert het ook in het Midden-Oosten. Sinds de jaren 1960 zijn er sporadisch uitbraken in Europa. Een grote uitbraak in Roemenië in 1996 markeerde een keerpunt: sindsdien is het virus daar niet meer weggegaan, en duikt het ook regelmatig op in Zuid-Europa. Rond de eeuwwisseling begon een opmars in Noord-Amerika.

In Nederland werd het westnijlvirus in 2020 voor het eerst aangetroffen in een wilde vogel en vervolgens ook in muggen; kort daarna kwamen de eerste menselijke besmettingen aan het licht. In 2025 dook het virus opnieuw in Nederland op, onder meer in een mug en bij een paard. In juli 2026 werd in Oost-Nederland een besmette mug gevangen; in augustus volgden besmettingen bij vogels en paarden, maar ook bij een bloeddonor. Inmiddels zijn er drie besmettingen bij mensen bekend. Op 26 augustus meldde het RIVM een sterfgeval van een persoon.

Bron: NRC

Scroll naar boven